Over ons

De stichting Friends of Al-Falah (= de hoop) is opgericht in 2002.

Het doel van de stichting is het ondersteunen van  kansarme, meestal Christelijke, jongeren in Quetta, Pakistan.

De stichting tracht dit doel te verwezenlijken door:

  • fondsen te werven,
  • het consolideren van het door wijlen Otto Postma (Franciscaan) gestichte opvanghuis voor minder bedeelde jongeren, “Al-Falah” .
  • overleg met de direct verantwoordelijken in Quetta, aangaande besteding van middelen op korte en lange termijn

     

  • De stichting beoogt niet het behalen van winst (Stichtingsakte dd 27 maart 2002).

    Rekeningnummer/IBAN: NL 22 INGB 0006 1456 41

    bij de ING Bank Dordrecht

    De stichting is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel

    te Amsterdam onder nummer 34173181.

    RSIN (fiscaal nummer) 810714346

     

     

    De geschiedenis van Al-Falah

    Een opvanghuis voor de kansarme jongeren van Quetta

    De laatste jaren van zijn leven hield father Otto Postma zich veel bezig met de toekomst van Al-Falah, het jongenshuis dat hij stichtte en waaraan hij zijn leven wijdde in Quetta, Pakistan. Hij maakte zich zorgen over twee dingen. Ten eerste had het tehuis geen vaste inkomsten. Het was steeds afhankelijk van giften. Hij  had wel een spaarrekening geopend voor de lopende kosten van het tehuis in de toekomst. In de tweede plaats moest hij een opvolger zien te vinden. Hij probeerde  een assistent op te leiden, maar dat lukte niet. Ook een vervanger tijdens Otto’s vakantie bleek geen optie te zijn. Daarna probeerde hij het met een discussiegroep van voormalige studenten uit het tehuis. Deze groep werd formeel geregistreerd bij de overheid als Najat, een lokale NGO met een sociale doelstelling. Het doel was een legale structuur te vinden voor het tehuis. De jongens en meisjes van Najat waren zeer gemotiveerd, maar bleken uiteindelijk te jong en onervaren om de volle verantwoordelijkheid voor Al-Falah te dragen.

    Otto’s gezondheid was slecht na zoveel jaren  crossen op zijn motorfiets (en later in zijn Suzuki) door het stoffige Quetta. Zijn plotselinge dood op 1 oktober 2001 maakte de toekomst van Al-Falah uitermate onzeker. Op dat moment had het tehuis geen vaste financiële basis en geen opvolger. Otto was een Franciscaanse priester, maar er was geen enkele Franciscaan beschikbaar, die zijn werk kon overnemen. Als katholieke instelling stond het tehuis onder de verantwoordelijkheid van het bisdom van Hyderabat (nu vicariaat Quetta). Helaas was men daar meer geïnteresseerd  in het gebouw en het sportveldje dan in het opvangen en begeleiden van kansarme jongeren.

    Op 13 oktober 2001 werd een herdenkingsdienst voor Otto gehouden in Delft. Behalve familie en vrienden waren er ook veel mensen aanwezig die hem in Quetta hadden leren kennen tijdens hun ontwikkelingswerk aldaar. Er werden verscheidene toespraken gehouden en er werd een brief van prins Claus voorgelezen. De prins  was een persoonlijke vriend van Otto en droeg hem een warm hart toe. Alle aanwezigen wilden graag dat het werk van Otto voortgezet zou worden. En zo werd  een NGO opgericht op 23 -3 -2002 met de naam Friends of Al-Falah. Het was moeilijk om als buitenlanders, op zo’n grote afstand, mee te helpen aan een oplossing voor het voortzetten van Al-Falah, des te meer omdat Otto’s aanpak en die van Friends of Al-Falah meer gebaseerd was op  Bijbelse waarden dan op de uitgangspunten van de Kerk. Het werd gekenmerkt door “een hoog Evangelie- en een laag Kerkgehalte”, zoals een medebroeder van hem het uitdrukte.

    De Salesianen van Don Bosco waren sinds 1995 in Pakistan. Ze hadden een technisch  training centrum overgenomen in Lahore. In 2000 kwam father Peter Zago van Don Bosco naar Quetta om te kijken hoe de Afghaanse vluchtelingen daar geholpen konden worden. De Salesianen hebben een lange traditie in het ondersteunen van kansarme jongeren en hun aanpak is in grote lijnen dezelfde als die van father Otto. Het zou een logische stap geweest zijn om Al-Falah over te nemen. Maar de Salesianen waren nieuw in Quetta en hadden nog geen kennis van de cultuur en taal. Bovendien was het helpen van de Afghaanse vluchtelingen hun belangrijkste reden om daarheen te komen.

    Onmiddellijk na Otto’s dood nam master Sadiq, de man die de dagelijkse leiding had, de zorg en verantwoordelijkheid voor het jongerenhuis over onder supervisie van de Franciscanen. Daarna volgde een korte periode met een team van mensen, die aangesteld waren door de bisschop van Hyderabad. Vervolgens werd Younus Barkat aangesteld door de vicaris van Quetta. Eind 2004 werd een overeenkomst gesloten tussen het vicariaat van Quetta en de Salesianen. Deze bepaalde dat de Salesianen de verantwoordelijkheid voor het tehuis op zich zouden nemen voor een periode van vijf jaar.  De financiën werden hierin ook geregeld. Het vicariaat en Friends of Al-Falah zouden garant staan voor de kosten.

    Na een juridische procedure  had het vicariaat de zeggenschap gekregen over het spaargeld van father Otto. De rente over dit spaargeld zou gebruikt worden voor de lopende kosten van het tehuis . Friends of Al-Falah zou zijn aandeel gaan betalen met giften uit Nederland. Het Nederlandse aandeel werd jaarlijks betaald. Het vicariaat moest herhaaldelijk gemaand worden om te betalen. Hun financieel beleid was nooit transparant en er was geen overleg met Al-Falah. Eén keer maakte het vicariaat een flink bedrag over voor herstelwerkzaamheden. Later bleek dat hun aandeel was betaald uit het spaargeld voor  Al-Falah. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde het vicariaat het geld over te dragen aan de Salesianen, die nu toch het tehuis bestuurden.

    Najat, het team dat zich had ingezet voor de toekomst van Al-Falah,, werd op een zijspoor gezet en later geboycot en uitgesloten. Het is waar dat de leden onervaren waren, maar  zij waren als (oud-)bewoners van Al-Falah zeer gemotiveerd om hun steentje bij te dragen aan de toekomst van het tehuis.

    De moeilijkheden tussen Najat en het vicariaat brachten Friends of Al-Falah in een lastige positie. De stichting besloot  om het tehuis  te steunen, maar tegelijkertijd de steun aan het  onderwijsprogramma, dat Najat had geïntroduceerd, voort te zetten.

    Na een veelbelovende start van dit programma kreeg Najat echter managementproblemen, die onoplosbaar bleken te zijn ondanks hulp van buitenaf. Toen de voorzitter door te grote ambitie en een gebrek aan voorzichtigheid in politieke  corruptie verwikkeld raakte, kon Friends of Al-Falah niets anders doen dan stoppen met de samenwerking. Dit gebeurde in 2015.

    Na een bescheiden begin breidden de Salesianen hun aanwezigheid in Quetta sterk uit. Ze bouwden op een ommuurd terrein tegenover het Bolan Medical College een  school voor ongeveer 800 jongens en meisjes, onder wie veel Afghaanse vluchtelingen, een kleuterschool, een groot sportveld, een overdekte sportruimte, een kerk, een grote hal, een meisjes tehuis, een huis voor de zusters en een huis voor de Salesianen. De twee delen van het terrein, gescheiden door een wadi, werden verbonden door een brug,  aan één kant wordt het terrein beschermd door een afgesloten woonwijk. Het tehuis werd naar deze compound overgebracht aan het einde van 2009 en geïntegreerd in het Don Bosco Learning Centre zoals het hele complex genoemd werd.

    Otto’s filosofie en aanpak van de zorg voor de achtergestelde jongeren waren in grote lijnen gelijk aan die van de Salesianen. Hij behandelde hen als een vader en had speciale aandacht voor ieder kind. Hij kon dit doen vanwege zijn lange aanwezigheid in Baluchistan en zijn grondige kennis van de cultuur en de taal. De eerste Salesianen waren buitenlanders, die de taal nog moesten leren. Father Samuel Adnan is de eerste Pakistaanse Salesiaan in Quetta. Hij kwam in 2017 terug naar Pakistan na zijn studie in  de Filippijnen  om de eerste Pakistaanse directeur van Al-Falah te worden. De voortzetting van het werk van Otto voor de kansarme jongeren in Quetta is sindsdien bij hem in goede handen.